Media
Klimaatbeleid als kans, Pieter Boot
Er is een interessante verschuiving waar te nemen in de positionering van het debat over klimaatbeleid in ons land en andere OESO-landen. Daar waar het voorheen vooral als last werd gezien, worden nu ook de kansen die het biedt benadrukt. Vroeger ging het alleen om de reducties die nodig waren en hoeveel dat zou kosten. Nu wordt ook gezocht naar de exportkansen van schone technologie die nodig is om het beleid tot een succes te maken. Dat geeft aan, dat er meer vertrouwen is ontstaan dat andere regio's ook daadwerkelijk gaan meedoen aan klimaatbeleid, want anders was die technologie nergens nodig.
Een recent verschenen boekje* is een voorbeeld van deze moderne benadering. In zo'n 100 bladzijden wordt uit de doeken gedaan hoe het huidig klimaatbeleid tot stand gekomen is, welke voorstellen er in de aanloop naar de Klimaattop van Kopenhagen in december op tafel liggen, en welke kansen een slim vorm gegeven klimaatbeleid Nederland zou kunnen bieden. De auteurs doen dat door een collage van eigen analyse en citaten uit gevoerde gesprekken met sleutelspelers. Het is een goed gelukt en inspirerend werk geworden, dat makkelijk leest en tegelijk diep op de materie ingaat.
Iedereen die nu eens precies wil weten wat Assigned Amount Units zijn, wat het verschil is tussen track 1 en track 2 van Joint Implementation projecten, of een oordeel wenst of de Europese emissiehandel een succes of flop is, kan er de benodigde informatie in vinden. Na dit historische deel wordt een schets gegeven van de issues die in Kopenhagen aan de orde zullen komen. Drie elementen zijn nodig voor een succesvolle uitkomst: een stevige eerste stap en leiderschap van de geïndustrialiseerde landen, een concrete aanzet tot coherent beleid door de ontwikkelingslanden, en forse financiële ondersteuning daarvan door de geïndustrialiseerde landen - maar geen blanco cheques. Er zijn genoeg ideeën om dat alles voor elkaar te krijgen, maar de echte discussie gaat vooral over geld. Want ook het moderne klimaatbeleid mag dan kansen bieden, het kost ook veel (waarbij het inzicht sinds het Sternrapport uiteraard is, dat het nog meer kost om niets te doen).
Gesuggereerd wordt, dat Nederland vier troeven heeft waar een combinatie van technologie ontwikkeling en toepassing in Nederland tot exportkansen kan leiden. Dat zijn (1) de bouw en logistiek rondom offshore windparken, (2) de productie en verwerking van groene grondstoffen, (3) Nederland als gasrotonde met een geleidelijk stijgend aandeel groen gas en (4) het smart grid met elektrische auto's. Bij elk van de kansrijke opties wordt beargumenteerd waarom ze kansrijk zijn, welke knelpunten overwonnen moeten worden en hoe dat kan gebeuren. Het zijn voor de hand liggende keuzes. Of Nederland ook werkelijk comparatieve voordelen heeft bij deze vier is wel de vraag. Bij groene grondstoffen en gas lijkt me dat evidenter dan bij de andere twee: offshore wind kan zich overal rond de Noordzee ontwikkelen en bij elektrische auto's is nog sterker de situatie, dat zowat elk OESO-land dit tot speerpunt van beleid heeft uitgeroepen.
De inzichten veranderen bij het transport mijns inziens te snel om van een stabiel beeld te kunnen spreken. Enige tijd geleden verwachtte men in de Energie Innovatie Agenda nog dat in 2050 25 procent van de Nederlandse voertuigen op biobrandstoffen zou rijden en 75 procent op waterstof, waar nu de voorzitter van het regieorgaan Energie Transitie de huidige denklijn aanprijst. Veranderend inzicht is prima en kan verstandig zijn, maar als dat zo snel verandert, zou ik me eerst maar beperken tot forse demonstratieprojecten voordat ik zo zeker wist dat de elektrische auto's bij uitstek de toekomst hebben. Maar de kernboodschap is uiteraard dat er, waar dat verantwoord is, gepoogd moet worden keuzes te maken. Alleen een bepaalde mate van keuzes en consequente uitvoering daarvan scheppen de mogelijkheid dat theoretische kansen ook werkelijk tot prestaties zullen leiden. Nederland heeft niet zo'n heel sterke track record op dit gebied en ook in andere landen is het wellicht meer aan een combinatie van omstandigheden en toevalligheden te danken, dat sterke sectoren zijn ontstaan. Denk aan de Deense windenergie die nu als een succesverhaal wordt gezien, maar waar het Deense beleid vele jaren grote afstand van nam.
Succes groeit vaak tegen de verdrukking in. Maar in een mondiale groeimarkt zullen alleen forse financiële impulsen en andere stimulansen een verschil kunnen maken en ik zie niet hoe dat anders dan met goed onderbouwde keuzes kan. Als dit boekje daarin kan helpen en bijvoorbeeld zou helpen bij de verdere besteding van het geld van de Energie Innovatie Agenda tot echte keuzes te komen, was het niet alleen lezenswaardig maar heeft het ook aanzet tot zinvol beleid gegeven.
* Jacco Kroon, Roebyem Anders en Pier Vellinga, Beknopte gids door de klimaatdoolhof, Uitgeverij MGMC, Haarlem 2009.
